Besluit RDW vernietigd

De bestuursrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij uitspraak van 11 november 2016 tussen Autobedrijf X en de RDW een opmerkelijke uitspraak gedaan. RDW had op grond van een geconstateerde overtreding de ‘erkenning bedrijfsvoorraad‘ van Autobedrijf X voor de duur van zes weken ingetrokken. Het bezwaar daartegen was door RDW afgewezen, tegen welke uitspraak Autobedrijf X beroep had ingesteld en tevens een voorlopige voorziening had gevraagd.

De bestuursrechter kwam bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening tot het oordeel dat nader onderzoek niet zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak en deed daarom niet alleen aanspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Autobedrijf X betoogde dat RDW, gelet op alle gelden omstandigheden, in redelijkheid had moeten overgaan tot het opleggen van een lichtere sanctie.

De bestuursrechter refereerde aan een uitspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds om die reden buiten beschouwing kunnen worden gelaten. RDW had derhalve alle omstandigheden van het geval in haar beoordeling dienen te betrekken, en dienen te bezien of deze op zichzelf dan wel samen met andere omstandigheden om een hadden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Omdat de RDW bij haar besluit om de bestreden sanctie op te leggen niet op deze manier had getoetst vernietigde de rechter het primaire besluit, waarbij aan RDW werd opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

NOOT: het sanctiebeleid van RDW is gebaseerd op het toezichtbeleid van RDW zoals neergelegd in de toezichtbeleidsbrief. Het staat vast, ook al omdat RDW zich ook op dat standpunt stelt, dat het hier gaat om een sanctiebevoegdheid, en niet om een sanctieverplichting. RDW kan dus onder omstandigheden afwijken van het in de toezichtbeleidsbrief neergelegde sanctiebeleid. In de praktijk sanctioneert de RDW vrijwel standaard volgens haar toezichtbeleid, maar dat kan volgens de bestuursrechter van de rechtbank Oost Brabant niet (altijd) door de beugel. RDW moet derhalve wel degelijk alle omstandigheden van het geval betrekken in haar beoordeling, en haar sanctie daarop afstemmen. Het verdient aanbeveling om, als een sanctie worden opgelegd, goed te onderzoeken of aan deze toetsingscriteria is voldaan.